De behandeling van traanwegobstructies is in het AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV campus Sint-Jan de laatste jaren in belangrijke mate geëvolueerd dankzij de intensieve samenwerking tussen de diensten oogziekten en neus-, oor- en keelziekten.

TRANENDE OGEN ZIJN EEN HINDERLIJK PROBLEEM

Tranende ogen kunnen, zowel bij volwassenen als bij kinderen, het gevolg zijn van verschillende en sterk uiteenlopende oorzaken zoals een reactie op droge ogen, chronische oog- en ooglidirritaties tot een (volledige) verstopping van het traanafvoer-kanaal. In geval van een verstopping of obstructie lopen de tranen niet meer via het natuurlijke traankanaal naar de neusholte, met hinderlijke tranen voor de patiënt tot gevolg.

Een grondig oogonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of het effectief gaat om een obstructie van het traanafvoerkanaal. Afhankelijk van de localisatie van de obstructie is een aangepaste traanwegingreep noodzakelijk. Indien blijkt dat er wellicht ook een geassocieerde neusproblematiek is, wordt op een multidisciplinaire raadpleging (oogarts en neus-, keel- en oorarts) een neusendoscopisch nazicht uitgevoerd. Daarna wordt in onderling overleg het verder beleid bepaald.

“Een voorbeeld van multidisciplinaire samenwerking  in ons ziekenhuis”

DACRYOCYSTO-RHINOSTOMIE (DCR): TRAANWEGCHIRURGIE IN DAGZIEKENHUIS

Om een obstructie van het traanafvoerkanaal te behandelen moet er een nieuwe verbinding gemaakt worden tussen de traanzak (dacryocysto) en de neusholte (rhino).

Klassiek worden deze traanwegingrepen via een huidincisie (ter hoogte van de overgang tussen neusrug en mediale ooghoek) uitgevoerd maar hebben patiënten na de operatie last van brilhematomen en (esthetisch hinderende) littekenvorming ter hoogte van de neusrug.

Slechts in een 4-tal Belgische ziekenhuizen, waaronder in ons centrum voor traanwegchirurgie, worden deze ingrepen uitgevoerd via de neus als toegangsweg (met de neusendoscoop): endonasale DCR. Op deze wijze is er dus geen huidincisie meer nodig en verloopt het herstel sneller. Deze operaties vinden plaats in ons dagziekenhuis.

Afhankelijk van het onderzoek op de multidisciplinaire raadpleging wordt bepaald of er tijdens de traanwegingreep ook een bijkomende ingreep nodig is van de NOK-arts om een betere toegang tot de traanweg te bekomen. Tijdens dezelfde narcose kan eventueel ook geassocieerde neuspathologie gecorrigeerd en behandeld worden.

Het succespercentage van deze endonasale ingreep is wisselend, maar door toegenomen ervaring (op vandaag werden er al meer dan 450 dergelijke ingrepen uitgevoerd) en door een goede multidisciplinaire preoperatieve investigatie en postoperatieve follow-up, bedragen onze succespercentages 90 tot 95%. Herstenoseren zal nooit helemaal te vermijden zijn, maar is onafhankelijk van de gebruikte techniek.

AANGEBOREN TRAANWEGSTENOSE: EEN NIEUWE EVOLUTIE

Bij kinderen met een congenitale traanwegstenose waarbij etterverlies en tranende ogen de voornaamste symptomen zijn, is de behandeling op twee vlakken eveneens sterk veranderd: de visualisatie en het type buisjes.
Vroeger werd de traanwegsondage meestal blind uitgevoerd, met het risico op ‘fausses routes’ en een verhoogde kans op recidief. Tegenwoordig werken we opnieuw multidisciplinair waarbij we via neusendoscopie de oorzaak van de traanwegstenose visualiseren en waardoor er dankzij deze nieuwe werkwijze al sneller siliconebuisjes kunnen worden geplaatst. Tijdens dezelfde procedure kan ook de oorzaak in de neus direct worden behandeld.
Door de komst van de monocanaliculaire buisjes met zelffixatie in de traanpunten, hoeven de buisjes niet meer te worden geknoopt zoals bij de klassieke bicanaliculaire buisjes. Hierdoor zijn ze ook makkelijk poliklinisch te verwijderen.

TEAMWORK                                    

De intensieve samenwerking (gemeenschappelijke consultaties en operaties) tussen de dienst oogziekten en de dienst neus-, oor- en keelziekten (artsen, assistenten, secretariaten en verpleegkundigen) resulteert in de toepassing van minder invasieve technieken met een betere visualisatie van de problematiek. Hierdoor worden betere resultaten behaald.

De verpleegkundigen van de poliklinieken en de betrokken verpleegeenheden zijn ondertussen goed opgeleid inzake de perioperatieve opvang van de patiënten.

Het aantal traanwegoperaties is op vijf jaar tijd verdubbeld en we hopen deze stijgende positieve trend in de komende jaren te kunnen verderzetten.