Campus Henri Serruys voert een doorgedreven reanimatiebeleid. Op de dienst spoedopname gaat heel veel aandacht uit naar elke medewerker de nodige training en bijscholing te bieden om correct en tijdig te reanimeren. Nauwe samenwerkingen tussen deze en andere diensten op de campus en strikte protocollen moeten er bovendien voor zorgen dat het aantal spoedinterventies en reanimatieprocedures tot een minimum beperkt blijft.

AANTAL URGENTIES

In 2016 voerde de mobiele urgentiegroep (MUG) bij 5 % van het aantal keer dat deze uitrukte een reanimatie uit. Het gaat om 35 reanimaties in totaal. Dat is het laagste aantal sinds 2008. Hiervan zijn nog vier patiënten in leven na dertig dagen. Procentueel is dit overlevingscijfer vergelijkbaar met de cijfers van de vorige jaren.

Binnen de ziekenhuismuren waren er het voorbije jaar in totaal 76 interne MUG-interventies. Hierbij bedroeg het aantal reanimaties 29 % van het totaal aantal interne-MUG activiteiten, 22 in totaal. Nog vier van deze patiënten waren in leven na dertig dagen. Daarin zit een klein verschil met de vorige jaren, maar onvoldoende om enige conclusies uit te trekken. Op één na werden alle 76 interne MUG-interventies gedaan door een team van de dienst spoedopname. We merken wel dat er voor aankomst van het MUG-team meestal al ‘bystander cpr’ gestart is: cardiopulmonaire resuscitatie door een medewerker van de verpleegafdeling. Dat is ongetwijfeld een vrucht van het doorgedreven reanimatiebeleid op campus Henri Serruys, dat onder meer ook het belang van ‘bystander cpr’ onderstreept. Diverse studies wezen namelijk uit dat de snelheid van reactie bij hartstilstand een grote invloed heeft op de overlevingskansen.

BIJSCHOLINGSACTIVITEITEN

De ongeveer 300 verpleegkundigen die tewerkgesteld zijn op campus Henri Serruys kregen in de loop van 2016 een eenmalige bijscholing van twintig minuten over basisreanimatie (Basic Life Support, BLS). De nadruk ligt daarbij op vier elementen: het zes-stappenplan, de compressiediepte, de compressiesnelheid en de ventilatievolumes. Het BLS-team, dat bestaat uit twee artsen en zes verpleegkundigen van de dienst spoedopname, organiseert deze bijscholingen en verdient zeker een extra pluim voor zijn continue inzet. De bijscholingsaanpak wordt trouwens verdergezet, ook in april 2017 stond al een herhaling van deze BLS-trainingen op het programma.

De voornaamste nieuwe tendensen uit de recentste reanimatierichtlijnen die eind 2015 door het ERC (European Resuscitation Council) gepubliceerd zijn, kregen toelichting tijdens de diverse trainingen die in 2016 voor het personeel van de dienst spoedopname georganiseerd werden. Het betreft trainingen in gespecialiseerde reanimatie (Advanced Life Support, ALS), gespecialiseerde reanimatie bij ongevallen (Advanced Trauma Life Support, ATLS), gespecialiseerde pediatrische reanimatie (Advanced Pediatric Life Support, APLS) en reanimatie van pasgeborenen (Newborn Life Support, NLS).

OPMAAK EN AANPASSING VAN PROTOCOLLEN

Ook de protocollen voor BLS en ALS die binnen het ziekenhuis gelden, zijn volgens de nieuwe ERC-richtlijnen aangepast. De nieuwe versies zijn gepubliceerd op het intranet van het ziekenhuis, zodat ze voor alle ziekenhuismedewerkers toegankelijk zijn. Het ‘post-resuscitation care’- protocol, dat de zorgverlening beschrijft na reanimatie, kreeg eveneens een herziening. De nieuwe versie is nu ook aangepast aan de recentste richtlijnen, onder meer met betrekking tot targeted temperature management (TTM), een behandeling die eruit bestaat de lichaamstemperatuur laag te houden om hersenbeschadiging na een hartstilstand te voorkomen of beperken en de overlevingskansen van de patiënt te verhogen.

ONVERWACHT OVERLIJDEN IN HET HOSPITAAL VOORKOMEN

In 2015 werd gestart met de campusbrede projecten ‘Track and Trigger’ (TnT) en ‘Early Warning Score’ (EWS). Het gaat om opleidingsprojecten ter preventie van reanimatie. Ze moeten vooral bijdragen tot de veiligheid van de patiënt. Alle verpleegkundigen en zorgkundigen van de campus, zo’n 400 in totaal, werden uitgenodigd op een twee uur durende bijscholing in ‘herkennen van een kritisch zieke patiënt’. De bijscholing was erop gericht de deelnemers een aantal controleparameters aan te reiken. Aan de hand van kleurcodes maken deze parameters het mogelijk om in te grijpen vooraleer de code rood zich aandient en de interne MUG-interventies zo tot een minimum te herleiden. Daarnaast kregen de ziekenhuisartsen een korte uiteenzetting over onder andere de ‘chain of prevention’ en BLS, met aansluitend hands-on training gegeven door het BLS-team.

Mevr. Ellen Deschacht leidt momenteel het pilootproject op twee afdelingen en is voor deze campus de expert ter zake. We opteerden er bewust voor om het project uit te rollen op enerzijds een internistische afdeling en anderzijds een chirurgische afdeling. Zo verkregen we een grote verscheidenheid aan patiënten uit een relatief kleine groep. Het pilootproject liep van midden december 2015 tot eind maart 2016 op de diensten neuro-maag-, darm- en leverziekten en algemene heelkunde van campus Henri Serruys. Op de naar voor geschoven pilootafdelingen werden regelmatig steekproeven uitgevoerd. Op basis van de resultaten formuleerden de projectcoördinatoren verbeteracties om die vervolgens ook uit te voeren. Een volgende fase omvat een inhoudelijke analyse van de interne MUG-oproepen en de onverwachte opnames op de dienst intensieve zorgen.

We zetten ons verder in om de preventie van cardiaal arrest binnen de ziekenhuismuren te organiseren via de werkgroepen die hiervoor opgezet zijn. Het is de bedoeling om tot een ziekenhuisbreed protocol te komen, met campus-specifieke accenten. Het protocol dient Key Performance Indicators (KPI’s) te bevatten om het proces te kunnen auditeren en bijsturen waar nodig.